In deze artikellen reeks werpen we de relatie tussen God - Mens en Natuur aan een nader onderzoek.
Een bijbelse benadering van God, mens, schepping en hun onderlinge relatie
De Australische filosoof G. Ardley onderscheidt in zijn werk Aquinas and Kant twee manieren om een tekst te benaderen, afhankelijk van iemands' bedoeling. ([1]) Hij illustreert beide werkwijzen door een vergelijking te maken tussen de slachter en de anatomist. Als een anatomist een dier ontleedt, gaat hij zorgvuldig de structuur na. Hij ontleedt de structuur die voor hem ligt. ([2]) De slachter daarentegen, is niet bezorgd om de structuur van het dier. Hij wil het karkas versnijden in bruikbare delen voor huiselijk gebruik.
De aangewende werkwijze in deze reeks zal bestaan uit een combinatie van hetgeen G. Ardley illustreerde. Zonder te vervallen in detailstudie willen we toch pogen de gulden middenweg te vinden tussen louter exegese en de theologische betekenis van de teksten die we bespreken.
In dit eerste deel wordt dan vertrokken van Gen. 1,26-28(29-30) om een drievoudige thematiek te bestuderen. Namelijk: hoe beleeft de bijbelse mens de relatie tot God, tot de schepping en tot de medemens? Op de eerste plaats willen we de tekst voor zich laten spreken door te luisteren naar de tekst zoals die voor ons ligt. Op deze manier trachten we de eigenheid zoals die naar voren komt in de tekst aan het licht te brengen. Van hieruit willen we dan vertrekken om onze thematiek verder te verdiepen.
Dat we ervoor gekozen hebben om te vertrekken van Gen. 1,26-28(29-30) is niet zonder reden. In het huidige theologische en antropologische denken omtrent het ecologisch probleem werden de verzen 26-28 van het eerste hoofdstuk van Genesis vaak gebruikt om de mens vrij te spreken van alle schuld of, om de Joods-christelijke traditie verantwoordelijk te stellen voor het ecologische probleem. ([3])
Verder willen we door van Gen. 1,26-28(29-30) te vertrekken een aantal probleemvelden aanraken die voor het ecologische probleem van cruciaal belang zijn. Met name gaat het hier over antropocentrisch versus theocentrisch denken; over de inhoud en draagwijdte van imago Dei, ...
2. De tekst van Gen. 1,1-3,24 ([4])
Wij willen hier de volledige tekst weergeven van zowel het eerste scheppingsverhaal - dat te vinden is in Gen. 1,1-2,4 - als van het verhaal van de "Tuin van Eden" dat onmiddellijk hierop volgt (Gen. 2,5-3,24). Dat hier de volledige tekst genomen wordt, is niet zonder reden. Op de eerste plaats worden deze teksten als uitgangspunt voor onze bijbelse reflectie genomen. Het eerste scheppingsverhaal komt ter sprake als we spreken over de relatie van de mens tot God en de schepping. Het verhaal van de "Tuin van Eden" zal ter sprake komen bij ons derde thema: de verhouding van de mens tot de medemens. Het spreekt dan voor zich dat er minstens vermeld wordt waar de voornaamste problemen zich situeren bij een lectuur van deze teksten. De tweede reden is dat het niet zonder gevaar is om een perikoop te isoleren uit haar context. Het gevaar is dan groot dat men enkel datgene leest wat men zelf graag hoort.
1,1 In den beginne schiep God de hemelen en de aarde.
2 De aarde was één grote warboel,
duisternis was over de oeroceaan,
en een orkaan woedde over de wateren.
3 God zei:
'Er moet licht zijn!', en er was licht.
4 God zag dat het licht goed was.
God scheidde het licht van de duisternis.
5 God gaf aan het licht de naam 'dag',
en aan de duisternis gaf hij de naam 'nacht'.
Het werd avond en het werd ochtend: één dag.
6 God zei:
'Er moet een firmament zijn te midden van de wateren,
en het moet de wateren scheiden van de wateren'.
7 God maakte het firmament
en scheidde de wateren die onder het firmament waren
van de wateren die boven het firmament waren.
Zo gebeurde het.
8 God gaf aan het firmament de naam 'hemel'.
Het werd avond en het werd ochtend: een tweede dag.
9 God zei:
'De wateren onder de hemelen moeten zich verzamelen in één plaats,
en laat het droge land te voorschijn komen.'
Zo gebeurde het.
10 God gaf aan het droge land de naam 'aarde'
en aan de verzameling van het water gaf hij de naam 'zee'.
God zag dat het goed was.
11 God zei:
'De aarde moet planten voortbrengen,
gewas dat zaad uitzaait,
vruchtbomen die vruchten dragen,
waarin zaad is naar zijn soort: op aarde'.
Zo gebeurde het.
12 De aarde liet planten ontspruiten,
gewas dat zaad uitzaaide naar hun soort,
en bomen die vruchten droegen, waarin zaad was naar zijn soort.
God zag dat het goed was.
13 Het werd avond en het werd ochtend: een derde dag.
14 God zei:
'Er moeten lampen zijn aan het firmament van de hemelen
om de dag te scheiden van de nacht;
ze moeten tot tekenen dienen
en voor de vaste tijden én voor de dagen en jaren;
15 ze moeten als lampen dienen aan het firmament van de hemelen
om licht te geven op aarde.'
Zo gebeurde het.
16 God maakte de twee grote lampen:
de grote lamp tot heerschappij over de dag,
en de kleine lamp tot heerschappij over de nacht,
en ook de sterren.
17 God zette hen in het firmament van de hemelen
om licht te geven op aarde,
18 en om te heersen over de dag en over de nacht
en om het licht van de duisternis te scheiden.
God zag dat het goed was.
19 Het werd avond en het werd ochtend: een vierde dag.
20 God zei:
'De wateren moeten wriemelen van wriemelende levende wezens,
en vogels moeten vliegen boven de aarde, door het firmament
van de hemelen heen.'
21 God schiep de grote zeemonsters
en alle levende wezens die kruipen
en waar de wateren van wriemelen, naar hun soorten,
en alle gevleugelde vogels, naar hun soort.
God zag dat het goed was.
22 God zegende hen aldus:
'Wees vruchtbaar en wees talrijk en vul het water in de zee,
en laat de vogels talrijk zijn op aarde'.
23 Het werd avond en het werd ochtend: een vijfde dag.
24 God zei:
'De aarde moet levende wezens laten ontspruiten, naar hun soorten:
vee en kruipende dieren en wilde beesten, naar hun soorten'.
Zo gebeurde het.
25 God maakte de wilde beesten, naar hun soorten,
en het vee, naar hun soorten
en alle kruipende dieren op de grond, naar hun soort.
God zag dat het goed was.
26 Dan zei God:
'Laten wij mensen maken naar ons beeld, volgens onze gelijkenis.
Ze moeten de baas zijn van de vissen in de zee,
en van de vogels in de lucht
en van het vee, en van de hele aarde,
en van ieder kruipend dier dat kruipt op aarde'.
27 God schiep de mens naar zijn beeld,
naar het beeld van God schiep hij die:
mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen.
28 God zegende hen en God zei tegen hen,
'Wees vruchtbaar en wees talrijk en vul de aarde,
onderwerp haar en wees de baas
van de vissen in de zee
en van de vogels in de lucht,
en van ieder levend wezen dat op aarde kruipt'.
29 God zei:
'Zie, ik geef u nu alle gewas dat zaad uitzaait
dat op het hele aardoppervlak is,
en alle bomen die vruchtbomen zijn die zaad uitzaaien:
ze zullen u tot voedsel dienen
30 Voor alle wilde beesten, en voor alle vogels van de lucht,
en voor al wat kruipt op aarde dat een levend wezen is,
is alle groen tot voedsel'.
Zo gebeurde het.
31 God zag alles dat hij gemaakt had,
en zie, het was zeer goed.
Het werd avond en het werd ochtend: een zesde dag.
2,1 Zo werden de hemelen en de aarde voltooid, en al hun heirscharen.
2 Op de zevende dag voltooide God het werk
dat hij gemaakt had,
hij rustte op de zevende dag van al het werk
dat hij gemaakt had.
3 God zegende de zevende dag en heiligde die,
ja, dan rustte God van al het werk
dat hij geschapen had door het te maken.
4 Dit zijn de voortbrengselen van de hemelen en de aarde
toen ze geschapen werden,
op de dag dat jhwh-God maakte
de aarde en de hemelen.
5 Toen er nog geen enkele veldstruik op aarde was
en nog geen enkel veldgewas ontsproten -
jhwh-God had het immers nog niet laten regenen op aarde,
en een mens was er niet om de grond te bebouwen-
6 en er alleen een damp uit de aarde opsteeg
en het hele aardoppervlak drenkte:
7 toen boetseerde jhwh-God de mens van stof uit de grond
en blies in diens neusgaten de levensadem:
zo werd de mens een levend wezen.
8 jhwh-God plantte een tuin in Eden, in het oosten,
en zette er de mens in, die hij geboetseerd had.
9 jhwh-God liet uit de grond allerlei bomen ontspruiten,
begeerlijk om te zien en lekker als spijs,
en in het midden van de tuin:
de boom des levens
en de boom der kennis van goed en kwaad.
10 Een rivier ontsprong uit Eden om de tuin te drenken,
en van daar splitste ze zich en werd tot vier armen.
11 De naam van de eerste is Pison:
zij is het die om het hele land Chawilla stroomt,
waar het goud is;
12 en het goud van dat land is edel;
daar is balsemhars en onyxsteen.
13 De naam van de tweede rivier is Gichon;
zij is het die om het hele land Kus stroomt.
14 De naam van de derde rivier is Tigris;
zij is het die ten oosten van Assur loopt.
De vierde rivier, zij is de Eufraat.
15 jhwh-God nam de mens en bracht hem in de tuin van Eden
om die te bebouwen en te bewaken.
16 jhwh-God beval de mens aldus:
'Van alle bomen in de tuin mag je gerust eten;
17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad,
daarvan mag je niet eten;
voorwaar, op de dag dat je daarvan eet, moet je sterven.'
18 jhwh-God zei:
'Het is niet goed dat de mens alleen is.
Ik zal voor hem een hulp maken die bij hem past'.
19 jhwh-God boetseerde uit de grond
alle wilde dieren van het veld en alle vogels van de hemel,
en hij bracht ze bij de mens
om te zien hoe die ze noemen zou;
en zoals de mens ze noemen zou, de levende wezens,
zo zou hun naam zijn.
20 De mens noemde namen
voor al het vee, en voor de vogels van de hemel,
en voor alle wilde dieren van het veld.
Maar voor een mens vond hij geen hulp die bij hem past.
21 jhwh-God liet een diepe slaap over de mens vallen, en hij sliep.
Hij nam een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees.
22 jhwh-God bouwde de rib
die hij uit de mens genomen had tot een vrouw,
en bracht haar bij de mens.
23 'Toen zei de mens:
'Die is eindelijk been van mijn gebeente
en vlees van mijn vlees.
Aan haar zal men de naam mannin geven,
immers uit een man is ze genomen'.
24 Daarom verlaat een man zijn vader en zijn moeder
en hecht zich aan zijn vrouw, zodat ze één vlees worden.
25 Ze waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw,
maar ze schaamden zich niet voor elkaar.
3,1 De slang nu was de sluwste van alle dieren in het wild
die jhwh-God gemaakt had.
Ze zei tegen de vrouw:
'Ook al heeft God gezegd
dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten...'
2 Maar de vrouw onderbrak de slang:
'Van de vrucht van de bomen in de tuin mogen wij eten,
maar van de vrucht van de boom
die in het midden van de tuin staat, heeft God gezegd:
'Jullie zullen daar niet van eten,
en jullie zullen hem niet aanraken,
zoniet zullen jullie sterven!'
4 Maar de slang zei tegen de vrouw:
'Jullie zullen helemaal niet sterven!
5 Maar God weet dat op de dag dat jullie ervan eten,
je ogen zullen geopend worden en jullie als goden zullen zijn,
die goed en kwaad kennen'.
6 Nu zag de vrouw dat de boom lekker was als spijs
en dat hij een lust was voor de ogen
en dat de boom begeerlijk was om inzicht te verkrijgen.
Zij nam van zijn vrucht en ze at;
zij gaf er ook van aan haar man die met haar was en hij at.
7 Dan, werden de ogen van alle twee geopend,
en zij merkten dat ze naakt waren.
Ze hechtten bladeren van een vijgenboom aaneen
en maakten er schorten van.
8 Toen hoorden ze de donder van jhwh-God,
die tegen de avondkoelte in de tuin aan het wandelen was.
De mens en zijn vrouw verstopten zich
voor het aanschijn van jhwh-God
temidden van de bomen van de tuin.
9 jhwh-God riep tot de mens en zei tegen hem:
'Waar ben je?'
10 Hij zei:
'Ik hoorde uw donder in de tuin
en ik werd bevreesd omdat ik naakt ben,
en dan heb ik me verstopt'.
11 En hij zei:
'Wie heeft je verteld dat je naakt bent?
Heb je soms van de boom gegeten,
waarvan ik je bevolen heb niet te eten?'
12 En de mens zei:
'De vrouw die u gegeven hebt om met mij te zijn,
die heeft me van de boom (te eten) gegeven, en ik at'.
13 En jhwh-God zei tegen de vrouw:
'Wat heb je in godsnaam gedaan?'
Maar de vrouw zei:
'De slang heeft mij om de tuin geleid, en ik at'.
14 Toen zei jhwh-God tegen de slang:
'Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt
onder al het vee en onder alle dieren in het wild.
Op uw buik zult u gaan
en stof zult u eten alle dagen van uw leven.
15 Vijandschap zal ik zetten
tussen u en de vrouw en tussen uw zaad en haar zaad.
Dit zal u de kop vermorzelen
en u zult het de hiel vermorzelen.'
16 Tegen de vrouw zei hij:
'Uw pijn en uw zwangerschap zal ik verhevigen:
in pijn zult u kinderen baren;
naar uw man zal uw verlangen gaan, en hij, hij zal over u heersen'.
17 Tegen de mens zei hij:
'Omdat ge geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw
en gegeten hebt van de boom,
waarvan ik bevolen had: 'Je zult daar niet van eten',
(daarom) is de grond vervloekt terwille van u.
Met moeite zult u ervan eten alle dagen van uw leven.
18 Doornen en distels zal hij laten ontspruiten,
en het gewas van het veld zult u eten.
19 In het zweet uws aanschijn zult u brood eten
tot u terugkeert naar de grond,
want daaruit bent u genomen.
Ja, stof bent u en tot stof zult u terugkeren!'
20 De mens noemde de naam van zijn vrouw 'Eva',
want ze werd de moeder van al wat leeft.
21 jhwh-God maakte voor de mens
en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen.
22 En jhwh-God zei:
'Zie, de mens is nu geworden als één van ons
dank zij de kennis van goed en kwaad.
Als hij nu zijn hand maar niet uitsteekt
en ook plukt van de boom des levens en ervan eet
zodat hij voor altijd blijft leven!'
23 Toen stuurde jhwh-God hem weg uit de tuin van Eden
om de grond te bebouwen waaruit hij genomen was.
24 Hij verjoeg de mens,
en stelde ten oosten van de tuin van Eden
de cherubs op en de vlam van het flitsende zwaard
om de weg te bewaken (die leidde) naar de boom des levens.
(vorige)
[1] G. Ardley, Aquinas and Kant. The Foundations of the Modern Sciences, Londen, 1950, p. 5.
[2] G. Ardley, Aquinas and Kant. The Foundations of the Modern Sciences, p. 6: "He reveals the actual structure which is there before him waiting to be manifest."
[3] Over de oorsprong van het ecologisch probleem kunnen we hier niet verder uitweiden. Hiervoor verwijzen we naar ons derde deel. Cf. infra, p. 105vv.
[4] De tekst is overgenomen uit de bijdrage van M. Vervenne, Mens, kosmos en aarde. Een exegetische reflectie over Gen. 1-3, in J. De Tavernier & M. Vervenne (red.), De mens: verrader of hoeder van de schepping?, Verslagboek Permanente Vorming K.U.Leuven, Vliebergh-Senciecentrum, Leuven, 1990, pp. 36-42.